11 november 2006

Reismijmeringen

In juli 2006 trok ik met Magda mee naar Bagaya-Senegal. De koffer met materiaal, de foto’s en de verhalen hadden me nieuwsgierig gemaakt. Nu ik de kans kreeg om alles eens met eigen ogen te zien, greep ik die met beide handen.

De heenreis verliep voorspoedig. In Dakar haalden Aliou, Maleini en Bacary ons gelukkig af aan de luchthaven want in al die drukte zou je het noorden kwijt geraken! Ik was overweldigd door de warmte, de vochtigheid, de geur, de bedelaars,…Midden in de nacht werden we hartelijk ontvangen in de stenen woning van Aliou, Oeli en een heleboel familie en vrienden. Er werd warm eten opgediend.

Slapen onder het muskietennet lukte me niet goed. Bovendien hoorde ik allerlei vreemde geluiden die ik niet thuis kon brengen. Neen, die eerste nacht zag ik het even niet meer zitten; in welk avontuur had ik me nu toch weer gestort?! De volgende dagen echter leerde ik de mensen kennen en raakte ik het wat gewoon. Eén van de eerste dingen die ik door ondervinding leerde was: niets overhaasten, alles op ’t gemakske! Even snel naar de bank om geld te wisselen? Neen, hoor! Eerst een uurtje stappen, dan een uurtje wachten, dan rustig bediend worden; er was haast een halve dag voorbij! Postzegels kopen, een markt bezoeken, eten en wat babbelen, een dag is zo om. Wat me opviel in Dakar is de mengelmoes van oud en modern. Je ziet er bvb. auto’s naast paardenkarren. Afrikaans en westers geklede mensen lopen er door elkaar en je hoort er heel wat talen. Er ligt enorm veel afval in de stad, overal, zelfs op de daken.

We reden er mee met stokoude taxi’s of wurmden ons in een broussebus om Maleini (ijsbedrijf) en Cebrama (naaiatelier) te bezoeken. Langs de wegen staan kraampjes met van alles en nog wat. Tussen de auto’s krioelt het van de verkopers. Die bieden de meest uiteenlopende spullen aan: mandarijntjes, zakjes met water, pinda’s, teenslippers, T-shirts,…Het eten was even wennen voor mij. We aten tiboudienne, maffee, enz. in grote schotels van email in ’t midden van de tafel. Ik vond het raar maar had er geen moeite mee. Wist ik veel dat we in Bagaya met heel wat meer mensen op de grond uit één kom zouden eten, wij met een lepel, zij met hun handen… Voor we naar Bagaya doorreisden, bezochten we het slaveneiland Gorée. Mooi, confronterend maar jammer genoeg heel toeristisch.

Om tot in de Casamance te geraken, moesten we een dagreis met de auto naar het zuiden, ook door Gambia, zelfs met een overzetboot. Vanuit de “7-places” zag ik het landschap veranderen: droog landschap, ronde hutten met strodak, veel geiten, termietenheuvels, mangobomen,… Hoe zuidelijker we kwamen, hoe groener het werd. Ik zag gieren, koeien, veel afval, baobabs, fromagiers, straatventers,…

We moesten een paar keer tol betalen, ons paspoort laten afstempelen, enz. De weg in Gambia was afschuwelijk; zoveel putten dat men er gewoon naast de weg reed! In Bagaya kwamen we aan bij het huis van de vroegere chef. Overal groeien mangobomen. De mensen komen ons begroeten en helpen spontaan met de bagage. Ik zie kleurrijke vlinders, een waterput, wevervogels, geiten, koeien, kippen, veel kinderen, rode grond,…

Net als we geïnstalleerd zijn, barst een verfrissende regenbui los. Regenseizoen!’s Avonds, in het bed van Bacary, naast Magda, onder het benauwende muskietennet raak ik niet in slaap en zet alles eens op een rijtje. Hier lig ik nu, zwetend in een nochtans heel lichte pyjama, ingesmeerd met stinkende muggenmelk, in een lemen huis, tussen allemaal zwarte mensen waarvan ik de taal niet versta. Er is geen elektriciteit, geen deur in onze kamer, de raamopening is van buitenaf dichtgemaakt met een golfplaatluik. Tijdens de maaltijd zaten we op de mat, de kom in het midden, 8 mensen er rond, wij met een lepel, de anderen aten handig met hun handen. De vrouwen verdeelden de vis en de groenten en “mikten” de stukjes naar ieders hoekje van de kom. Een visgraat gooi je gewoon op de grond. De w.c. is een putje in de grond, in een lemen gebouwtje. De douche is een plank met een emmer water erbij en een potje om je af te gieten. De wanden van de douche bestaan uit palmbladeren.Toch in slaap gesukkeld…

De volgende dagen in Bagaya vlogen voorbij. We stelden een planning op met de mannen van de A.J.B. Elke dag werd er iets gepland. Ik maakte bij mezelf de bedenking dat je toch wel meer dan één ding kunt doen op een dag. Maar de volgende dagen ondervond ik dat die “trage” planning wel de juiste was. Het levensritme in Bagaya is heel relax; men laat zich niet opjagen. Te laat komen is heel gewoon, zelfs helemaal niet komen opdagen kan. Eigenlijk went zo’n traag ritme wel snel. We deden dus elke dag iets: de molens controleren,het grote landbouwproject en het dispensarium bezoeken,meewerken in het “atelier de teinture”, vergaderen over de prauw, praten met de vrouwen, nieuwsgierig gaan kijken naar de initiatiefeesten in Tandouck, naar de mis met de fiets in Elena, naar Bignona voor overleg met de oogarts in het dispensarium, bezoek aan de school en “l’école diola”, cadeaus uitwisselen, enz...

In Tandouck zagen we de feestelijkheden bij de inwijdingsceremonie van de jonge mannen. Er werden koeien geslacht ( wij kregen ook ons deel, verpakt in palmbladeren), gedanst en gezongen, de jongens waren verkleed,… allemaal heel ongewoon. Er was een massa volk op de been, net als bij een groot festival. Na een tijd verdwenen de jongeren in “le bois sacré”. Wat daar gebeurt,blijft een geheim want wij, als vrouwen mogen daar niets van weten! Ik vond het heel speciaal, ook wel een beetje angstaanjagend, opzwepend, onbegrijpelijk.

Jongeren die deze rituelen echter niet meemaken, mogen niet trouwen en worden niet als een “echte” man aanzien. In Bagaya hielpen we veel mee in het atelier. Het was immers de bedoeling dat we de boodschappentassen voor de wereldwinkel zouden meenemen als extra bagage bij onze terugreis. Men moest er echter nog aan beginnen!We hebben dus een algemene mobilisatie moeten afkondigen. Over die tassen alleen al zou ik bijna een boek kunnen schrijven.

Ik heb genoten van de contacten met de mensen, zeker met de kinderen. Die zijn lief, spontaan, grappig, ondeugend, net als de kinderen bij ons maar soms wel bang voor die bleke blanken.Overal stonden er kleine stoeltjes of bankjes om op te zitten. Geen tafels, wel matten. Geen schoenen, wel teenslippers.Het sleffende geluid van die teenslippers, het gespuw en gerochel, het gesjirp van de cicades en het gezoem van de muggen klinkt nog steeds in mijn oren.

De dieren zijn fascinerend, daarvan had ik best nog meer willen zien. We zagen heelwat loslopende huisdieren maar ook bontgekleurde vogeltjes en vlinders, termieten in een lange rij, rupsen, kakkerlakken, hagedissen, massa’s vliegen en muggen, bijen, een kaketoe, een secretarisvogel in een rijstveld,aapjes in Gambia, arenden op Gorée, gieren in Ziguinchor,…De natuur is prachtig en overweldigend.

Bacary, onze gids-tolk, legde me uit hoe de vruchten van de apenbroodboom zich ontwikelen, echt heel bijzonder.We proefden ook allerlei soorten fruit: mango, sinaasappel, kaba, citroen, koupran, enz. De lemen huizen in Bagaya passen mooi in de brousse, vind ik, behalve de golfplaten op het dak. Bij de hutten is het dak van bladeren, misschien niet zo sterk maar veel natuurlijker.Er is weinig meubilair en werkgerief. Ik maakte me echter de bedenking of wij er niet te veel hebben! Zo’n tegenstrijdig gevoel bekroop me wel eens meer; hadden “wij” de mensen hier niet beter gerust gelaten? Als je ziet hoe rustig en in harmonie ze hier leefden, midden in de brousse, dan vind ik het spijtig dat “we” hen confronteerden met onze West-Europese levensstijl.

Je kunt de tijd echter niet terug draaien; ze hebben al heel wat leren kennen zoals auto’s, elektriciteit, frigo, radio, teevee, telefoon,… en natuurlijk willen ze ook al die dingen die het leven ogenschijnlijk zoveel gemakkelijker maken. Dat er ook heel wat minder mooie kanten aan onze manier van leven zijn, zien ze niet.Onze taak ligt er nu in, denk ik, hen te helpen om een evenwicht te vinden tussen hun eigen levenswijze en wat er van bij ons doorsijpelt. Samenwerken met wederzijds respect moet toch kunnen.

Dingen waarbij wij zeker kunnen helpen:

  • de bouw en restauratie van de school
  • onderhoud van de molens en het dispensarium
  • begeleiding bij de gezondheidszorg
  • restauratie en veel betere inrichting van de materniteit
  • hulp bij “le grand project” en de prauw, zodat er beter handel kan gedreven worden
  • ondersteuning van het “atelier de teinture”
  • begeleiding bij de vorming van mensen die in Bagaya zelf aan de opbouw van de gemeenschap willen meewerken

    De projecten die we met Bagaya-Kapelle steunen, zijn geen indrukwekkende realisaties waar je van achterover valt. Het zijn kleine stapjes samen, in de goede richting. Soms moeizaam omdat alles zo traag gaat (onze zakken waren niet klaar om mee te nemen) maar toch wel hoopgevend -- een week later waren ze wel af!

    Toen ik weer thuis was, na een niet zo vlotte terugreis, waren heel wat mensen erg geïnteresseerd. Ik heb al veel verteld en foto’s getoond. “Kunnen we iets doen?” klonk het vaak.Ik denk dat daar de kracht ligt van Bagaya-Kapelle: gewone mensen van hier die gewone mensen ginder helpen…

    -- Liliane

  • 15:08 Gepost door Bagaya-Kapelle in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

    De commentaren zijn gesloten.